|
In de tweede
helft van de twintigste eeuw verandert door de groei
van de economie en de ontwikkeling van de electronische
media de woonomgeving van de mens. Er ontstaat een
consumptiemaatschappij. De consumptiemaatschappij
is de samenleving waarin massaal verbruiksartikelen
worden aangeboden en gekocht. Een verbruiksartikel
dat in grote hoeveelheden in fabrieken is vervaardigd,
wordt ook wel een massaproduct genoemd. Het wordt
niet alleen massaal vervaardigd maar ook gekocht door
de massa oftewel door de gewone mensen. De producten
worden aan de man gebracht door middel van reclame,
het massacommunicatiemiddel bij uitstek. De media
speelt hierbij een grote rol.
De verhoogde levensstandaard
zorgt ervoor dat de consument allerlei nieuwe industriële
producten kan kopen. Er is na de oorlog een grote
behoefte ontstaan aan gebruiksgoederen. Deze artikelen
worden door de industrie in grote massa's geproduceerd.
Het is de tijd van de massaproductie en massaconsumptie.
Consumeren wordt een belangrijke bezigheid voor
iedereen. Niets is meer uniek, alles is voor iedereen
bereikbaar. De industrialisatie zorgt voor een trek
naar de steden: er ontstaat een nieuwe stedelijke
cultuur. Al deze maatschappelijke ontwikkelingen
zorgen ervoor dat de pop
art tot bloei kan komen.
De westerse mens geniet van de toenemende welvaart.
Technische vooruitgang en modernisering typeren dit
tijdperk. Tegelijkertijd ontstaan er, onder invloed
van bijvoorbeeld de Vietnam-oorlog, kritische vragen:
waar gaat we naar toe met deze wereld? De cultuur
van de massa ontstaat in de jaren vijftig voor het
eerst in Amerika. In de jaren zestig vinden de meest
ingrijpende veranderingen plaats. De 'Sixties' is
een tijdperk van vernieuwende ideeën op het gebied
van politiek en wetenschap. Deze ontwikkelingen worden
in Europa pas eind jaren zestig zichtbaar. Door de
verwoestingen in de oorlog wordt eerst hard gewerkt
aan de wederopbouw van de steden en de industrie.
In de jaren vijftig beginnen kunstenaars
deze nieuwe leefomgeving uit te beelden. Ze concentreren
zich op de voorwerpen en de symbolen uit de consumptiemaatschappij
en de massacommunicatie. De bonte schilderijen,
collages en assemblages hebben als basis de nieuwe
beeldtaal van de reclame- en mediawereld. Alledaagse
voorwerpen krijgen voor het eerst een esthetische
waarde en worden in het museum getoond. Deze kunstrichting
wordt 'pop art' genoemd. Pop art heeft een verandering
in kunstbeleving tot gevolg. Kunst verplaatst zich
naar de straat of haalt haar inspiratie uit het
straatbeeld. Het is niet meer kunst met een grote
K. Het wordt kunst met een kleine K en is toegankelijk
voor een grote groep: de massa.
De mensen kunnen kunst nu begrijpen
omdat de beelden herkenbaar zijn. Deze vermenging
van kunst met een grote K en de beelden uit de massacultuur
wordt 'high and low culture' genoemd.
New York is in de jaren 50 behalve middelpunt van
literatuur en beeldende kunst, een vooruitstrevende
en eigentijdse stad. De reclame krijgt de taak om
van die massaproducten exclusieve producten te maken.
De groeiende economie zorgt tegelijkertijd voor een
uitgebreide reclamebranche. Doordat advertenties steeds
belangrijker worden, groeit ook de tijdschriftenmarkt
explosief. Andere media zoals televisie en radio verspreiden
informatie op een eenvoudige manier en veroveren de
massa. De versnelde communicatie tussen product en
consument verandert het tempo waarin kunst wordt verspreid
en geproduceerd. Mensen identificeren zich met reclamebeelden.
Bijvoorbeeld de 'Malboro-man' uit de reclame voor
het sigarettenmerk Malboro.
|