DSC_0905a.jpg

random image default10

runen_inscriptieTiel-Bergakker, eerste helft 5de eeuw. zilver, deels verguld, l. 8, 3 cm ; h. 1,4 cm

Vierentwintig runentekens verdeeld over vier woorden en anderhalve regel: het is de oudste tekst in een inheemse taal die we uit Nederland kennen. Ze staan op een beslagstuk van verguld zilver dat ooit om de opening van een zwaardschede was bevestigd. Alle lettertekens zijn goed leesbaar, maar over de betekenis lopen de meningen uiteen.

Het runenschrift was het Germaanse antwoord op het Latijnse alfabet van de Romeinen. De oudste in runen geschreven teksten dateren uit de 2de eeuw na Christus en zijn gevonden in Denemarken en het aangrenzende deel van Duitsland. Vanaf de 5de tot in de 9de eeuw vinden we het schrift ook in Nederland, vooral in het kustgebied van Friesland en Groningen.

Gezien het kleine aantal teksten dat in ons land is aangetroffen, werd het runenschrift waarschijnlijk maar weinig gebruikt. De schrijvers van deze inscripties zijn bovendien steeds kort van stof. De teksten variëren in lengte van enkele lettertekens tot enkele woorden en bestaan vaak uit namen of benamingen, zoals het woord ‘kam’ op een kam uit het Groningse Toornwerd. De vier woorden op het beslagstuk uit Tiel-Bergakker vormen hoogstwaarschijnlijk een complete zin.

Alle deskundigen zijn het eens over de betekenis van het tweede woord: “ik (hij) verleen(t)”, en velen zien in het eerste woord de naam van de eigenaar van het zwaard dat bij de schede heeft behoord. De meningen verschillen over hoe die naam moet worden gelezen, zoals ook de twee laatste woorden heel verschillend zijn geïnterpreteerd.
Aansluitend bij de functie van het beslagstuk lezen enkele geleerden het laatste woord als “zwaard(en)”. Het bijbehorende zwaard moet een pronkstuk zijn geweest, maar tegelijk een
groot en vervaarlijk wapen.

De vorm en versiering van het beslagstuk zijn karakteristiek voor de eerste helft van de 5de eeuw, dat wil zeggen de eerste decennia na het einde van de Romeinse heerschappij in onze streken. Door het wegvallen van een centraal gezag was het een tijd van grote instabiliteit, waarin krijgsheren met eigen legertjes de dienst uitmaakten.

Een groot deel van de oorspronkelijke bevolking was naar het zuiden getrokken en hun plaats werd ingenomen door Germaanse groepen uit het noorden. De runeninscriptie uit de omgeving van Tiel
vormt een heel duidelijk spoor van hun komst naar de Betuwe.

Over de vindplaats zelf is nog weinig bekend, al zijn er aanwijzingen dat hier twee eeuwen eerder, in de Romeinse tijd, een heiligdom is geweest. Misschien stond dat er nog als bouwval, maar de kans is klein dat het nog in gebruik was.

runen_inscriptie_detail