721T2699.jpg

random image default10

gordel frankische krijgerNijmegen-Lent, midden 7de eeuw, ijzer, zilver en messing, l. van de gespplaat met gesp 15 cm

Het leer van de circa 6 cm brede gordel is vergaan, maar de prachtig versierde beslagplaten zijn bewaard gebleven. Ze lagen op heuphoogte in het graf van een Frankische krijger, dat in 1972 is opgegraven in Lent, aan de noordoever van de Waal tegenover Nijmegen.

De ijzeren beslagstukken zijn alle drie uitbundig versierd met inlegwerk van zilver en messing. De decoratie bestaat in hoofdzaak uit een patroon van kronkelende, in elkaar grijpende zilveren banden, dat ondanks de strakke symmetrie toch een organische indruk maakt. Aan de uiteinden eindigen de banden in gestileerde dierenkoppen. De vlakken tussen de banden zijn opgevuld met allerlei motieven die in messing zijn uitgevoerd, zoals rozetten, zonnewielen en kruisen. Onder de halfbolvormige knoppen van messing zitten de nieten waarmee de beslagstukken aan het leer waren bevestigd.
 
Aan het skelet van de krijger valt af te lezen dat hij een groot postuur moet hebben gehad en 35 tot 45 jaar oud is geworden. Aan de brede gordel droeg hij twee van zijn wapens, een kort, eensnijdend zwaard en een mes, elk in een eigen schede van hout en leer. Een groot, tweesnijdend zwaard hing om zijn schouder aan een apart stel riemen, waarvan de gespen en andere beslagstukken eveneens met zilver en messing waren ingelegd. Naast hem in het graf lag de volledige uitrusting van zijn paard: het zadel met de zadelriemen en het bit met de leidsels. Ook hiervan zijn alleen de metalen onderdelen bewaard gebleven: behalve het bit nog eens twintig beslagstukken van ijzer, alle rijkelijk versierd met zilver en messing.

bronzen portretkopde Rijn bij Xanten (D), rond 100 na Chr., brons, h. 42,4 cm

De Romeinse portretkop werd in 1955 aangekocht als een baggervondst uit de Waal ten oosten van Nijmegen. Inmiddels weten we dat hij vrijwel zeker afkomstig is uit de grindwinningen die destijds plaatsvonden in een oude Rijnbedding ten oosten van Xanten. Vanaf het einde van de 1ste eeuw lag daar een Romeinse legioensvesting, die later door de rivier is verspoeld.

Het portret is achter en opzij sterk beschadigd en moet hebben behoord tot een levensgroot beeld. Het toont een man met naar voren gekamde haren, een rechte neus, smalle lippen en diepe rimpels om de mond en in de hals. De ogen waren oorspronkelijk ingelegd met email of glaspasta.

Al sinds de ontdekking heeft men in het portret de trekken herkend van keizer Marcus Ulpius Traianus (98-117), die zowel voor Xanten als voor Nijmegen van grote betekenis is geweest. Kort na zijn troonsbestijging verleende hij stadsrechten aan de burgerlijke nederzettingen die daar al bestonden en die hij toen vrijwel zeker ook heeft bezocht. Aan beide steden verbond hij bovendien zijn naam en Nijmegen heette sindsdien Ulpia Noviomagus, ‘Ulpische Nieuwmarkt’.

Toch wijkt de kop in sommige details af van de bekende portretten van de keizer. Het was niet ongebruikelijk dat leden van de politieke elite zich lieten afbeelden met de trekken van de heersende keizers en dat zou ook hier gebeurd kunnen zijn. Hoe dan ook is de kop een uitzonderlijke vondst. Van de talrijke bronzen beelden die ook in onze streken in de steden en legerkampen moeten hebben gestaan, zijn meestal alleen kleine fragmenten bewaard gebleven, zoals handen, vingers en tenen.

bronsbeslag wagenWijchen-Wezelse Berg, 7de eeuw v.Chr., brons, Ø van de wieldoppen 9,7 cm

Meer dan 26 eeuwen geleden is de wagen mét het lichaam van de overleden eigenaar op een grote brandstapel verbrand. Wat overbleef is vervolgens verzameld en begraven in een urn. In 1897 kwam het graf bij Wijchen tevoorschijn.

Van de houten wagen heeft alleen het bronsbeslag het vuur overleefd. Het komt sterk overeen met wagenbeslag uit het gebied ten noorden van de Alpen, langs de bovenloop van de Rijn, en daar moet de Wijchense wagen in de 7de eeuw voor Christus ook zijn gemaakt. Zulke voertuigen waren voorbehouden aan de elite van die tijd. Maar niet alleen het metalen sierbeslag maakte deze vierwielige wagens zo exclusief. Van de gewone houten karren onderscheidden ze zich ook door hun ranke bouw en door de toepassing van spaakwielen, die in West-Europa niet eerder waren vertoond.

Op de rand van de platte wagenbak waren allerlei bronzen ornamenten en sierstrips aangebracht. Maar het meest bijzonder en opvallend waren de vier bronzen wieldoppen, die met borgpennen waren vastgezet aan de uiteinden van de assen. Elke pen is versierd met drie kopjes, waarvan het haar in lange vlechten naar achter hangt. Aan elk van de pennen hangen enkele ringen, die waarschijnlijk alleen dienden om te rinkelen tijdens het rijden en zo aandacht te trekken.

detail bronsbeslagOok de bronzen bitten voor de twee trekpaarden van de wagen lagen in het graf. Aan de slijtagesporen op de bitten en op de wieldoppen valt af te lezen dat de wagen veel is gebruikt.

Renkum-Oostereng, 2500-2000 v.Chr. aardewerk, goud, h. pot 12,2 cm

pot_met_gouden_sieraadArcheologische verzamelingen worden weleens oneerbiedig omschreven als een hoop oude potjes en pannetjes. Inderdaad vormen potten en potscherven meestal de voornaamste en zeker de meest omvangrijke oogst van archeologische opgravingen. Gouden voorwerpen, laat staan complete goudschatten, komen in Nederland daarentegen maar heel zelden tevoorschijn.

In 1891 waren enkele werklieden bezig met het afgraven van grindbanken op het landgoed Oostereng tussen Bennekom en Renkum. Een van hen vond daarbij een pot van aardewerk en in de directe omgeving bovendien twee draadvormige stukken goud met versierde,platte uiteinden. De eigenaar van het landgoed, jonkheer Henry Quarles van Ufford, ontfermde zich erover en liet de in scherven uiteengevallen pot restaureren door een meubelmaker, die de gaten opvulde met gips en de hele buitenkant okergeel verfde. Vervolgens stelde hij de pot thuis tentoon, met de gouden voorwerpen kruiselings op de rand gelegd. Zo bleef de vondst decennia lang staan, totdat zijn weduwe Henriette deze in 1955 aan de Rijksuniversiteit Groningen schonk.

Vandaar kwamen ze in de collectie van de Gelderse Archaeologische Stichting en als langdurig bruikleen zijn ze sinds 1999 opgenomen in de vaste opstelling van Museum Het Valkhof.
De pot is een fraai voorbeeld van een Veluwse klokbeker, zogenoemd omdat de meeste exemplaren op de Veluwe zijn gevonden. Ze dateren uit het einde van de Nieuwe Steentijd, tussen ca. 2500 en 2000 voor Christus, en zijn aan de buitenkant zorgvuldig versierd met geometrische motieven en arceringen. De kwaliteit van de decoratie is uitzonderlijk binnen het prehistorische aardewerk uit Nederland, dat in de hierna volgende Bronstijd en IJzertijd over het algemeen van een grote eenvoud is.

Complete klokbekers zijn alleen aangetroffen in grafheuvels en ook de pot van het landgoed Oostereng moet wel uit een grafheuvel afkomstig zijn. In die tijd werden waarschijnlijk alleen belangrijke personen onder speciaal opgeworpen heuvels begraven. In het graf kregen ze een pot mee met voedsel en vaak ook wat werktuigen, zoals een stenen bijl of een vuurstenen mes. De gouden voorwerpen moeten ook met de pot in het graf zijn gelegd. Want hoewel de metaaltijden in Nederland nog moesten beginnen, beschikten sommige mensen al over kleine koperen dolken en een enkeling zelfs over gouden sieraden. De twee stukken van de Oostereng hebben samen een dunne gouden ring gevormd, met versierde, platte uiteinden. Het kan een halsring zijn geweest of een diadeem.

pot_met_gouden_sieraad_2

Nijmegen-Kelfkensbos, ca . 15 na Chr. kalksteen, h. 175 cm

godenpijler_geheelBij opgravingen op het plein vóór Museum Het Valkhof zijn in 1980 twee stenen blokken gevonden. Ze passen op elkaar en vormden samen ooit het middenstuk van een groot, pijlervormig monument uit de Romeinse tijd. De reliëfs rondom hebben het heersende keizershuis tot onderwerp en de militaire successen en de steun van de godenwereld waarop dat zijn macht baseerde.

De pijler telde oorspronkelijk tenminste vier blokken, die op elkaar gestapeld ruim 3,5 meter hoog zijn geweest. Het volledige monument was ongetwijfeld nog aanzienlijk hoger, met een sokkel onderaan en een bekroning bovenop. Aan elke zijde waren drie reliëfs over de vier blokken verdeeld. De reliëfs in het midden zijn nog compleet, van de onderste en bovenste is maar een kwart bewaard gebleven.

Een van de reliëfs in het midden toont Tiberius, stiefzoon en opvolger van de eerste Romeinse keizer Augustus. Hij brengt een offer aan de goden door uit een schaal wijn te gieten op een altaar voor hem. Ter identificatie staat daarop zijn afgekorte naam: Tib(e)r(ius) C(ae)sar. De godin van de overwinning, Victoria, houdt een lauwerkrans boven zijn hoofd. Welk militair succes hier wordt gevierd, is niet helemaal zeker. De scène verwijst misschien naar de triomftocht die Tiberius in het jaar 12 na Christus in Rome mocht houden naar aanleiding van zijn overwinningen op de Balkan enkele jaren eerder. Volgens een andere theorie dateert het monument van na de troonsbestijging van Tiberius in het jaar 14 en is het opgericht na beëindiging van een reeks veldtochten tegen de Germanen in 15-16 na Christus. Daaraan heeft hij als keizer overigens niet zelf meer deelgenomen.

De verschillende goden op de pijler, waaronder Apollo, Diana, Ceres en Bacchus, vormen een passende entourage voor Tiberius en wellicht zijn stiefvader Augustus boven hem. Ze verbeelden de bovennatuurlijke steun die het keizershuis claimde te genieten en de zegeningen die het daarmee het Romeinse rijk pretendeerde te brengen.

Het is onbekend waar het monument oorspronkelijk heeft gestaan, maar vermoedelijk was dat niet ver van de vindplaats, midden in het stadje Batavodurum, dat rond het begin van de jaartelling
op de plaats van het huidige centrum van Nijmegen werd gesticht. Een in brons gegoten replica van de twee blokken vormt sinds 2005 de basis van een modern monument op het plein vóór Museum Het Valkhof. Het werd in dat jaar opgericht als onderdeel van de viering van het 2000-jarig bestaan van de stad.

godenpijler_detail1    godenpijler_detail2

kantharos_van_stevensweertStevensweert, eind 1ste eeuw voor - midden 1ste eeuw na Chr. zilver, deels verguld, h. 10,5 cm

Kantharos is de Griekse naam voor een kelkvormige drinkbeker met twee grote oren. Die laatste ontbreken bij dit zilveren exemplaar, dat in 1943 of kort daarvoor is gevonden bij grindwinningen langs de Maas, ten noorden van Stevensweert. De uitbundige versiering op deze beker staat volledig in het teken van de wijngod Bacchus, die zelf heel vaak met een kantharos in de handen wordt afgebeeld.

Op de voet en aan de bovenrand is de beker versierd met gestileerde bloem- en bladmotieven. De decoratie daartussen is over twee zones verdeeld en van binnenuit in het zilver uitgedreven, zover zelfs dat de bladeren van de klimop- en wijnranken onderaan soms bijna lijken los te komen van de wand. Beide planten zijn aan Bacchus gewijd en keren terug in tal van voorstellingen van de god.

In de zone daarboven zien we koppen van mythologische figuren, afgewisseld met allerlei voorwerpen. Van de oorspronkelijk zes koppen zijn er twee verloren gegaan. De hele fries verbeeldt de wereld van de wijngod, maar over de precieze identificatie van de koppen zijn verschillende ideeën ontwikkeld.

Onmiskenbaar is de karakteristieke kop van de bosgod Pan aan één kant van de beker, naast die van een bebaarde man met hoofddoek, hoogstwaarschijnlijk Bacchus zelf. De ontbrekende kop rechts moet die van Hercules zijn geweest, vergezeld van zijn knots, boog en pijlkoker. Pan en Hercules verkeren vaak in het gezelschap van Bacchus, evenals de twee bacchanten (vrouwelijke volgelingen van Bacchus) aan de andere kant, ieder met een krans van klimopbladeren om het hoofd. De kop tussen hen in ontbreekt, op enkele restanten van een wilde haardos na, vermoedelijk die van een satyr, eveneens een trouwe metgezel van de wijngod.

Tussen de koppen zien we allerlei muziekinstrumenten als verbeelding van de feestroes waaraan iedereen zich overgeeft, en versierde stokken en boomtakken die de afgebeelde figuren in andere voorstellingen vaak in de hand hebben.

De beker is vermoedelijk gemaakt in het oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied. Een Romeinse eigenaar heeft hem meegenomen naar het noorden en daar is hij, inmiddels beroofd van zijn oren, in de Maas beland. Na de ontdekking volgde opnieuw een bewogen geschiedenis: in de jaren 50 van de vorige eeuw vormde de ‘kantharos van Stevensweert’ het middelpunt van een geruchtmakend proces tussen koper en verkoper. Sinds 1961 is de beker in Nijmegen een museumstuk van uitzonderlijke kwaliteit en betekenis.

kantharos_van_stevensweert_detail

kantharos_van_stevensweert_detail2 

 

Filmpje met röntgenbeeld van de kantharos

Het röntgenbeeld van de kantharos laat het vakmanschap van de zilversmid zien: de dikte van het materiaal is zeer gelijkmatig. (Beeld: J. Custers, RCE Amersfoort)

 

 

Kantharos_van_Stevensweert_rontgen

Het beeld van de elektronenmicroscoop toont de verbrossing van het oude zilver. (Beeld: I. Joosten, RCE Amsterdam)

 

verzilverde_gezichtshelmDe Waal bij Nijmegen, tweede helft 1ste eeuw. ijzer en verzilverd messing, deels verguld, h. helm 24,2 cm

Deze gezichtshelm van een ruiter uit de Romeinse tijd werd in 1915 aangekocht door de Nijmeegse verzamelaar Gerard Marius Kam. De helm zou in dat jaar, of kort daarvoor, zijn opgebaggerd uit de Waal bij Nijmegen, dicht bij de zuidelijke oever ten westen van de spoorbrug.

De helm, waarvan het ijzer door corrosie grotendeels verloren is gegaan, is bekleed met messing dat over het hele oppervlak sporen van verzilvering draagt. Op enkele plaatsen zijn resten van vergulding vastgesteld: de lippen, de randen van de oogleden, de twee sierranden van de voorhoofdsband en de kleding en haren van de daarin uitgedreven figuren.

De gedreven ijzeren helmkap in de vorm van een haardos met lokken, is bijna geheel verdwenen. Helmkap en gezichtsmasker zijn met een scharnier aan elkaar verbonden, waardoor het masker omhoog geklapt kon worden. De nekbeschermer is bekleed met verzilverd messingblik, dat langs de rand om het ijzer is geslagen. Waarschijnlijk is voor de hechting van het messing aan het ijzer een organisch kleefmiddel gebruikt.

Onder de oren zitten klinknagels ter bevestiging van een leren riem over de nekbeschermer, waar mee het masker aan de onderkant met de helm werd verbonden. Boven elk oor is met klinknagels een beschermkap bevestigd. Daartussen loopt een rijk versierde voorhoofdsband van verzilverd messing, die met klinknagels aan het ijzer was vastgemaakt. In deze band zijn vijf busten uitgedreven, waarvan de kleding en de haren zijn verguld. Waarschijnlijk behoren deze figuren tot de kring rond de wijngod Bacchus.

De fraai versierde ruiterhelm dateert uit de tweede helft van de 1ste eeuw na Chr. Vermoedelijk zijn deze 1ste-eeuwse gezichtshelmen vooral als strijdhelm gebruikt. De relatief grote openingen voor ogen, neus en mond maken de gezichtshelm zeer geschikt om te dragen tijdens het gevecht. Maar zij zullen ook gedragen zijn tijdens parades, toernooien en ceremoniële gelegenheden, waar de ruiters hun vaardigheden konden tonen.

Mogelijk is de helm tijdens de opstand van de Bataven of kort daarna in de rivier terecht gekomen. Aan de binnenkant van de helm zaten twee wangkleppen van een andere helm en enkele blauwe glazen kralen en bronzen ringetjes vastgekoekt; misschien heeft alles samen in een zak gezeten.

De helm zal niet per ongeluk te water zijn geraakt, maar met bepaalde bedoelingen in de rivier gedeponeerd. De depositie van militaire uitrustingstukken en andere bronzen voorwerpen in rivieren kent een lange traditie die ook in de Romeinse tijd werd voortgezet. Een groot aantal van de bekende Romeinse helmen is in het water aangetroffen. Het is niet waarschijnlijk dat zij allemaal bij het oversteken van een rivier verloren zijn gegaan. Misschien offerden soldaten aan het einde van hun diensttijd hun meest waardevolle uitrustingstukken aan de godheid die hen had beschermd tijdens de diensttijd om daarmee ook weer een gunst van die godheid te kunnen ontvangen.

verzilverde_gezichtshelm_zijkant  verzilverde_gezichtshelm_bovenzijde

flesje_met_slangdraadversieringNijmegen-St. Jorisstraat, late 2de - eerste helft 3d e eeuw. glas, h. 20,7 cm

In 1907 werd bij de aanleg van riolering in de St. Jorisstraat in Nijmegen, vlak bij het huidige Museum Het Valkhof, een tufstenen grafkist met deksel uit de Romeinse tijd ontdekt. In deze sarcofaag lagen de resten van een skelet, waarschijnlijk van een vrouw, en voorwerpen die aan haar waren meegegeven. Het meest opvallende stuk is wel een glazen flesje, versierd met witte, blauwe en vergulde glasdraden. De overige bijgaven waren een ijzeren mesje met een barnstenen heft in de vorm van een liggende hond, een glazen spiegeltje en een klein flesje van kleurloos glas. 

Naast de sarcofaag stonden een kaarsenhouder van brons en een grote fles van zeer dun glas die na de opgraving in talloze kleine scherfjes uiteenviel en niet bewaard is gebleven. Het met glasdraden versierde flesje heeft een platte buik en een lange hals met een trechtervormige mond. Het glas is transparant en vrijwel kleurloos. Door de platte buik kan het flesje maar weinig vloeistof bevatten. Aan beide kanten van de buik is met witte, blauwe en vergulde glasdraden hetzelfde versieringsmotief van bladeren en slingers aangebracht.

De smalle zijden van de buik zijn versierd met een gekartelde blauwe glasdraad, die onder- en bovenaan de buik als een dunne draad om het lichaam is gelegd. Het aanbrengen van deze dunne glasdraden is buitengewoon moeilijk, vooral als het om ingewikkelde motieven gaat. De glasmaker moest heel snel werken, omdat het draad alleen kon worden aangebracht wanneer het glas nog heet en wendbaar was.

Glazen met deze ingewikkelde versiering worden wel “slangdraadglazen” genoemd, omdat de glasdraden als een slang kronkelen over het glas. Deze versieringstechniek is meegebracht door glasmakers uit het oostelijk Middellandse Zeegebied (Syrië), die zich na het midden van de 2de eeuw vestigden in het Rijnland. Zij zetten daar nieuwe werkplaatsen op, om er te werken zoals zij in het oosten hadden gedaan. Maar hun producten werden veel gevarieerder en fraaier: ze creëerden nieuwe vormen en polychrome decoraties die tot in detail waren uitgewerkt.

De slangdraadglazen waarbij, net als bij het Nijmeegse flesje, verguld glasdraad is gebruikt, lijken in één en hetzelfde
atelier te zijn gemaakt. De werkplaats van deze ’meesters’ van het slangdraadglas bevond zich zeker in Keulen, waar de meeste glazen in deze techniek zijn aangetroffen. Eén fles uit Keulen toont in de vorm en de versiering zoveel overeenkomst met het Nijmeegse flesje dat zeker is dat beide flessen door dezelfde persoon zijn gemaakt. Wel heeft de Keulse fles twee handvatten en is hij groter.

Waarvoor deze flessen hebben gediend is niet zeker. Het meest waarschijnlijk is dat zij aan tafel werden gebruikt om kostbare sauzen in op te dienen.

 

gevonden_bij_flesje

IJzeren mesje met een barnstenen heft in de vorm van een liggende hond

runen_inscriptieTiel-Bergakker, eerste helft 5de eeuw. zilver, deels verguld, l. 8, 3 cm ; h. 1,4 cm

Vierentwintig runentekens verdeeld over vier woorden en anderhalve regel: het is de oudste tekst in een inheemse taal die we uit Nederland kennen. Ze staan op een beslagstuk van verguld zilver dat ooit om de opening van een zwaardschede was bevestigd. Alle lettertekens zijn goed leesbaar, maar over de betekenis lopen de meningen uiteen.

Het runenschrift was het Germaanse antwoord op het Latijnse alfabet van de Romeinen. De oudste in runen geschreven teksten dateren uit de 2de eeuw na Christus en zijn gevonden in Denemarken en het aangrenzende deel van Duitsland. Vanaf de 5de tot in de 9de eeuw vinden we het schrift ook in Nederland, vooral in het kustgebied van Friesland en Groningen.

Gezien het kleine aantal teksten dat in ons land is aangetroffen, werd het runenschrift waarschijnlijk maar weinig gebruikt. De schrijvers van deze inscripties zijn bovendien steeds kort van stof. De teksten variëren in lengte van enkele lettertekens tot enkele woorden en bestaan vaak uit namen of benamingen, zoals het woord ‘kam’ op een kam uit het Groningse Toornwerd. De vier woorden op het beslagstuk uit Tiel-Bergakker vormen hoogstwaarschijnlijk een complete zin.

Alle deskundigen zijn het eens over de betekenis van het tweede woord: “ik (hij) verleen(t)”, en velen zien in het eerste woord de naam van de eigenaar van het zwaard dat bij de schede heeft behoord. De meningen verschillen over hoe die naam moet worden gelezen, zoals ook de twee laatste woorden heel verschillend zijn geïnterpreteerd.
Aansluitend bij de functie van het beslagstuk lezen enkele geleerden het laatste woord als “zwaard(en)”. Het bijbehorende zwaard moet een pronkstuk zijn geweest, maar tegelijk een
groot en vervaarlijk wapen.

De vorm en versiering van het beslagstuk zijn karakteristiek voor de eerste helft van de 5de eeuw, dat wil zeggen de eerste decennia na het einde van de Romeinse heerschappij in onze streken. Door het wegvallen van een centraal gezag was het een tijd van grote instabiliteit, waarin krijgsheren met eigen legertjes de dienst uitmaakten.

Een groot deel van de oorspronkelijke bevolking was naar het zuiden getrokken en hun plaats werd ingenomen door Germaanse groepen uit het noorden. De runeninscriptie uit de omgeving van Tiel
vormt een heel duidelijk spoor van hun komst naar de Betuwe.

Over de vindplaats zelf is nog weinig bekend, al zijn er aanwijzingen dat hier twee eeuwen eerder, in de Romeinse tijd, een heiligdom is geweest. Misschien stond dat er nog als bouwval, maar de kans is klein dat het nog in gebruik was.

runen_inscriptie_detail