_X6G4355.jpg

random image default10

De Stichting Paul Guyot ontvangt van de Vereniging Vrienden van Museum Het Valkhof jaarlijks een schenking en incidenteel ook andere schenkingen. Daarmee verzamelt de stichting vooral zilveren voorwerpen, vervaardigd door een “Nijmeegse” edelsmid; incidenteel worden andere aankopen gedaan en wordt bijgedragen aan aankopen door het museum. De aankopen worden in bruikleen gegeven aan het Museum Het Valkhof.

De Stichting Paul Guyot streeft ernaar dat aankopen tentoongesteld worden in het museum; door het grote aantal bruiklenen is dat niet altijd vanzelfsprekend.

Hierond vindt u beschrijvingen van een aantal objecten die zijn aangekocht.

Een soezenmand van Jan Willem Pas

In 1989 kocht een van de twee “voorouders” van de stichting, de Vrienden van het Nijmeegs Museum’Commanderie van Sint-Jan’ van een verzamelaar te Veenendaal een grote, 32 cm lange en 27 cm hoge soezenmand. Daarmee werd een derde exemplaar van dit type tafelgerei bekend van de hand van de Nijmeegse zilversmid Jan Willem Pas (1765-1839). Al in 1955 was een dergelijke mand het pronkstuk van de Nijmeegse afdeling op de expositie Gelders Zilver in het Arnhemse Gemeentemuseum. Deze mand, uit een Bossche collectie, was bij de tentoonstelling Nijmeegs Zilver in de Commanderie in 1983 al niet meer vindbaar doch gelukkigerwijze bleek een verzamelaar in onze stad een vrijwel identiek exemplaar te bezitten dat toen kon worden geëxposeerd. De vreugde over de verwerving van een eigen exemplaar voor ons museum werd aanleiding tot een discussie over de vorming van een bescheiden aankoopbeleid van de Vrienden ter ondersteuning van de museumcollectie die uitmondde in de keuze voor Nijmeegs zilver.

De drie manden zijn langwerpig ovaal en hebben de vorm van een schuitvormige bak met een scharnierend hengsel op een elliptische voet met een hoge rand. De decoratie bestaat uit uitgezaagde ornamenten en bloem- en bladmotieven, met fijn graveerwerk versierd. Op de bak vormt deze versiering een brede strook langs de bovenrand; van de voet is de standring uitgezaagd en van het hengsel het bovengedeelte.

De drie zijn op overeenkomstige wijze gemerkt met de initialen van de maker, IWP, de stedelijke adelaar zonder keizerskroon (die de Fransen in 1794 hebben afgeschaft), de stadsletter N, nog wél met kroon, en het keurmeesters(jaar-)teken D. Het is verleidelijk daaruit af te leiden dat de drie manden gelijktijdig gemaakt zijn doch daarvoor vormt de ‘jaar’letter geen argument. Tot 1794 merkte men het stedelijk zilver (twee)jaarlijks met de opeenvolgende letters van het alfabet, ter controle op het zilvergehalte. Toen men na de verovering door de Fransen al dergelijke regelingen opschortte, hield Nijmegen – omdat er toch enige regel moest zijn – de letter D van 1794 aan en gebruikte deze tot koning Lodewijk Napoleon in 1807 een nieuw, landelijk keurmerk invoerde. De datering van de manden ligt dus tussen 1794 en 1807.

De perfect uitgevoerde mand straalt een vanzelfsprekende luchtigheid uit – in overeenstemming met het gebak dat zij moet opdienen – en past volkomen binnen de licht-classicistische vormen van de Nederlandse Lodewijk XVI-stijl. Pas’ latere werk is even klassiek doch wat zwaarder en zou eerder tot de empire-stijl gerekend kunnen worden. Evenals al zijn werk zijn de manden gemaakt in zijn atelier-winkel, het huis “in den Bril” aan de zuidzijde van de Grote Markt. Zijn welgestelde ouders hadden dit pand in 1789 van de zilversmid Abraham te West gekocht en schonken het een jaar daarna aan hun zoon die zijn leertijd als goudsmid in Den Haag had afgesloten en aldaar kort voor de terugkeer naar zijn vaderstad getrouwd was. Gezien de belangrijke opdrachten die hij in Nijmegen kreeg (o.a voor de stad en de Stevenskerk) moet hij wel als de voornaamste van de zilversmeden gegolden hebben. Met werkstukken als onze soezenmanden bewijst hij niet alleen kwaliteit te kunnen leveren doch ook neus te hebben voor nieuwe vormen zoals deze, die samen met de (hengsel- en voet-loze) broodmanden in zijn tijd in de mode kwamen. In tegenstelling tot de immense populariteit van de zilveren broodschalen tot in onze tijd toe zijn de soezenmanden slechts een kortstondig modeverschijnsel gebleven.

Zilver en agaat; een doos van Willem Schiff

Een van de meest uitzonderlijke kunstwerken is een, bijna modern of zelfs tijdloos ogende, bijna tien centimeter hoge doos. Zij bestaat uit zes plaatjes van gepolijst bruin agaatsteen, gemonteerd in strakke omlijstingen van zilver. Wij waren in 1994 toen we de doos via een Haarlemse kunsthandel van een particulier in die stad aankochten buitengewoon verrast: in 1983 exposeerden wij namelijk op de tentoonstelling Nijmeegs Zilver 1400 – 1900 een vrijwel identieke doos uit de collectie van het Arnhems gemeentemuseum, die tot dan toe als een unicum in het Nederlands zilver gold. Verbazing werd bezorgdheid, toen de conservator kunstnijverheid van het Arnhems Museum ons belde en informeerde hoe we aan ‘hun’ doos kwamen. Bij een inbraak bleek deze namelijk ontvreemd te zijn en nog kort geleden informeerde Arnhem zelfs opnieuw met dezelfde vraag! Gelukkig konden we aan de hand van de patronen in het agaat aantonen dat ons exemplaar een ander was! Verder bleken beide dozen op minieme verschillen na geheel identiek, met dezelfde zilvermerken: Nijmeegs stadswapen, gekroonde N, meesterteken WS voor Willem Schiff (Nijmegen 1706 – 1775) en de keurmeestersletter K voor 1762 – 1763.

Wat de functie van deze dozen was is niet bekend. Aanvankelijk, toen er slechts één leek te bestaan, dacht men aan een theebus, en later aan gebruik voor de twee destijds meest gebruikte theesoorten, zwarte en groene. Dat is echter niet erg aannemelijk want een van de essentiële punten voor dergelijke voorwerpen is de goede afsluitbaarheid en de kleine opening; bij deze kistvormige dozen is het gevaar van aromaverlies veel te groot. Veel waarschijnlijker is dat beide dozen behoren bij hetzelfde toiletstel, een soort luxe artikel dat sinds de zeventiende eeuw bestaat, en dat tot midden twintigste eeuw als ‘kapstel’ voortleefde. De oude zilveren stellen hadden, behalve spiegelomlijsting, kandelaar(s) en borstelruggen, verscheidene dozen, onder andere voor de, met name in de pruikentijd veelvuldig gebruikte poedersoorten. Onze doos moet dan wel bij een uitzonderlijk rijk stel behoord hebben.

Een dergelijk bijzonder werkstuk past goed in het beeld dat we ons van Willem Schiff kunnen vormen. Gegevens over hem en zijn grote atelier in de Broerstraat (ter hoogte van ‘Blokker’) zijn uiterst schaars, in contrast met het uitzonderlijk hoge aantal zilverwerken dat van hem bekend is en dat niet alleen van fraaie kwaliteit is maar ook uitzonderlijk veel verschillende soorten objecten omvat. Interessant is hoe men in zijn oeuvre goed de modewijziging van strakke Régence vormen via uitbundig Rococo naar sobere Louis XVI stijl kan volgen. De vrij oud - 70 - geworden meester is tot aan zijn dood in 1775 blijkbaar actief gebleven; hij was in 1773 – 1774 voorzitter van het zilversmedengilde en had voldoende gekwalificeerde medewerkers in dienst om het zijn weduwe mogelijk te maken het atelier nog enkele jaren voort te zetten.

De zilveren tabakspot van Peter Schreers

Vanaf de voorbereidingstijd van de expositie Nijmeegs Zilver in 1983 is de tabakspot een van de pronkstukken in onze verzameling stedelijk zilver. Dat deed bijna vergeten dat dit meesterwerk vanaf 1979 als langdurig bruikleen in onze vitrine prijkte! Onlangs heeft de eigenaar, een van de nakomelingen van de zilversmid, besloten afstand te doen van dit stuk zilver – en van een tweede werk van zijn voorvader – en hij heeft dit tijdig aan het museum meegedeeld. Met grote welwillendheid heeft hij daarbij aan het museum het eerste recht van koop gegeven én zich bij de door externe deskundigen vastgestelde prijs bescheiden opgesteld.

Om budgettaire redenen – een pas verrichte zeer kostbare aankoop die de bodem van de toch al niet overrijke schatkist zichtbaar gemaakt had – heeft het museum de Guyotstichting, wier verzamelgebied immers het Nijmeegs zilver is, te hulp geroepen om deze topstukken voor de collectie te behouden. Deze heeft op haar beurt steun gezocht en gekregen van de Vereniging van Vrienden van Museum Het Valkhof , haar ‘moeder’ – en broodheer! Zo kunnen wij ons nu dus eigenaar noemen van dit prachtige stuk Louis XIV zilver, dat de merken draagt van de maker, het stedelijk adelaarswapen met de gekroonde N en de keurmeestersletter E voor 1752-1753. Een volkomen identiek, eveneens 17,5 cm. hoog exemplaar bezit het Rijksmuseum te Amsterdam, met de keurletter D van 1750-1751.

Een tabakspot is een attribuut dat destijds veelvuldig ter tafel kwam, zeker als er bezoek was. Het was samen met het zilveren pijpencomfoor een luxe artikel waarmee de heer des huizes zijn welvaart en goede smaak kon demonstreren, juist zoals zijn echtgenote dat deed met kostbaar theegerei. Verscheidene van dergelijke potten hebben, toen rokersgezelschappen minder frequent werden, hun bestaan trouwens gered als koekjestrommel.

De doos is vierkant, met afgeronde hoeken en met de pootjes niet daar maar in het midden van de zijkanten, tegen een breed uitspringend gedeelte. De pot en het deksel met een hoge, in een knop uitlopende beëindiging zijn rijk versierd met opgesoldeerde gegoten ornamenten, palmetten, bloemenmanden en guirlandedoeken, alle symmetrisch van opzet. Aan de onderrand hangen lambrequins, een siermotief dat bij de Louis XIV vormgevers en architecten zeer geliefd was. De pot heeft zelfs een eerbiedwaardige ‘museale’ geschiedenis: in 1880 leende mevrouw Scheers-Reijers te Nijmegen hem uit voor de eerste zilverexpositie in ons land, de ‘Tentoonstelling van kunstvoorwerpen in vroegere eeuwen uit edele metalen vervaardigd’ bij Arti et Amicitiae te Amsterdam.