Tickets

#followtherats

  1. #followtherats

Volg de ratten en ontdek de duistere pestgeschiedenis van Nijmegen

#followtherats


Nijmegen heeft een roemruchte pestgeschiedenis. Wist je dat in 1635-1636 meer dan de helft van de inwoners stierf aan deze gruwelijke ziekte? Dat de stad in deze tijd een eigen pestdokter had? En dat je nog steeds sporen van de pest in de stad kunt terugvinden als je weet waar je moet kijken? We vertellen je in het kader van de tentoonstelling De Pest in Museum Het Valkhof alle Nijmeegse ins en outs.

De pest in de middeleeuwen

Wegschietende ratten in donkere steegjes, in zwart geklede pestdokters met snavelmaskers, met paars-zwarte zweren en builen bedekte lijken: de pest is een van de meest tot de verbeelding sprekende ziektes uit onze geschiedenis.

In het midden van de zesde eeuw duikt de ziekte op in het Midden-Oosten, waarna deze flink huishoudt in Constantinopel (het huidige Istanboel). Rijk of arm; iedereen kan eraan ten prooi vallen, de ziekte slaat geen huis over. Er breekt paniek uit en tienduizenden mensen komen te overlijden. Na een lange periode van relatieve luwte slaat de ziekte vanaf 1347 weer toe, nu genadelozer dan ooit. Eerst in de havensteden aan de Middellandse Zee, van waaruit de pest zich als een olievlek verspreidt over de rest van Europa en daarbij in een paar jaar vele miljoenen slachtoffers maakt. Circa één op de drie Europeanen sterft en angst, pessimisme en machteloosheid voeren de boventoon. Ook in de daarop volgende eeuwen blijft de pest eens in de zoveel tijd terugkeren om dood en verderf te zaaien.

Ook Nijmegen wordt meermaals hard getroffen door de gruwelijke niemandontziende ziekte.

Feltman - Weeshuis Begijnenstraat Glashuis

De grote epidemie van 1635-1636

Nijmegen is een belangrijke frontstad tijdens de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spanjaarden. Er is een groot garnizoen, bestaande uit Nederlandse én buitenlandse soldaten, in en rond Nijmegen gelegerd. Op 16 augustus 1635 worden bij soldaten de eerste symptomen van de pest aangetroffen. Dat garnizoenssoldaten doorgaans bij de plaatselijke bevolking in huis werden ingekwartierd, werkt de verspreiding alleen maar in de hand. Volgens de stadsrekeningen sterven er in de jaren 1635-1636 uiteindelijk 6.009 mensen, bijna de helft van de toenmalige bevolking. Op het kerkhof bij de Mariënburgkapel worden liefst 713 Franse soldaten begraven.

Voor het enorme aantal doden moeten in de stad geschikte begraafplaatsen worden gevonden, wat nog niet meevalt. Zo neemt op het Sint-Stevenskerkhof het aantal maandelijkse begravingen toe van 50 in augustus 1635 naar 250 in september 1636! Het eigenlijk al volledig bezette kerkhof bij de Mariënburgkapel wordt in april 1636 weer in gebruik genomen, om nog geen maand later al weer overvol te moeten sluiten. Hierop krijgt het kerkhof van het voormalige Observantenklooster aan de Papengas weer de oorspronkelijke functie.

De stad verliest uiteindelijk zoveel inwoners dat de jaren erna in het teken staan van een charme offensief om nieuwelingen naar Nijmegen te lokken om zo het inwoneraantal weer op peil te krijgen. Zij kunnen het burgerrecht en andere voorrechten goedkoop in bezit krijgen.

Maatregelen in Nijmegen: witte bossen stro, afstand houden met een stok en een verbod op varkens

Quarantaine, mondkapjes en afstand houden; anno 2021 zijn we vertrouwd met maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Ten tijde van de pestuitbraken was dit niet heel veel anders.

Lang wordt de pest gezien als een straf van God; dag in dag uit worden erediensten gehouden en men bidt onafgebroken in de hoop op Gods genade. De snelle verspreiding wordt verklaard door onreine ‘pestlucht’ die uitwaaiert over stad en land.

Vanaf ongeveer het midden van de 17de eeuw weet men dat de pest van mens tot mens overdraagbaar is. Afzondering en goede hygiëne lijken dan dus de sleutel naar een pestvrije wereld, maar dat blijkt nog niet zo gemakkelijk in tijden van overbevolking en zwakke volksgezondheid, als gevolg van mislukte oogsten, natuurrampen en oorlogsgeweld.

Om de pest de kop in te drukken verordonneren de burgemeester, schepenen en de raad van Nijmegen in 1664 een lijst met maatregelen:

  • Netheid. Ieder moet de straat voor zijn huis schoonhouden. Het is verboden om stro uit geïnfecteerde huizen op straat te verbranden. Wol of linnen moet op een bleekveld buiten de Hezelpoort gewassen worden, niet in een geïnfecteerd huis.
  • Markeren van besmette huizen. Voor een geïnfecteerd huis moet een witte bos stro hangen. Zes weken lang mogen bewoners van geïnfecteerde huizen geen contact hebben met mensen van buiten, ook de deuren en vensters moeten gedurende deze weken gesloten blijven. Zij die geïnfecteerde huizen bezoeken, zoals ziekenverzorgers, pestmeesters, dodendragers en anderen, moeten het gezelschap van gezonde mensen uit de weg gaan. Zij dragen een witte stok om anderen op afstand te houden.
  • Toezicht op dieren. Er geldt een verbod op het houden van varkens in de stad. Mest van paarden of andere dieren dient binnen vier dagen de stad uit te zijn. Honden en katten uit een geïnfecteerde straat moeten worden verdronken of doodgeslagen.
  • Strenge begrafenissen. Overledenen mogen alleen uit huis gehaald en begraven worden door zogenaamde dodendragers. Geen fluweel of andere versieringen op doodskisten. Geen rouwmantels tijdens de begrafenissen. Voor of na de begrafenis mag niemand het geïnfecteerde huis bezoeken.
  • Toezicht op invoer van goederen en bezoekers van buiten de stad. Alleen mensen die konden aantonen dat ze uit niet-geïnfecteerde steden of huizen komen, mogen de stad in resp. uit. Herbergiers dienen 's avonds om 9 uur bij de hoofdwacht gastenlijsten in te dienen; niet-geregistreerden worden beboet. De verkoop van kool, ui, komkommer of pompoen uit Holland wordt ten strengste verboden.

De hoofdwacht, gevestigd op de verdieping van de Waag, controleert of iedereen zich aan de regels houdt, op straffe van fikse boetes: van 4 tot 25 goudstukken tot melding bij de burgemeester en vervolging.

Pas sinds de tweede helft van de negentiende eeuw is bekend dat de pest veroorzaakt wordt door de bacterie Yersinia Pestis die in het bloed komt door de beet van vlooien, die van het ene naar het andere slachtoffer kunnen overspringen en afkomstig zijn uit de vacht van ratten. Bij longpest kan de bacterie worden verspreid via aerosolen.

Hoek van het Glashuis

Bijzondere locaties in de stad die aan de pest herinneren

Sint-Jacobskapel/Glashuis (Papengas)
In de middeleeuwen maakte dit kapelletje deel uit van een groot complex; het Sint-Jacobsgasthuis. Dit gasthuis werd in 1438 gesticht door priester Hendrik van Hovelwijck, die het in 1434 verwierf uit een erfenis van de zeer rijke weduwe van Derick van Blokhaven. Er waren in eerste instantie twaalf “kamerkens”(eenpersoonshuisjes), zes voor mannen en zes voor vrouwen, later uitgebreid naar veertien. Aanvankelijk waren deze voorzieningen bedoeld voor pelgrims naar Santiago de Compostela (Sint-Jacob is de beschermheilige van deze plaats), later voor hulpbehoevenden. Omdat het oude pesthuis buiten de Hezelpoort was afgebroken, richtte het stadsbestuur in 1633 het gasthuis in voor de verpleging van pestlijders. Het gebouw werd zodoende “Burger Pesthuis” genoemd. Om de verzorgende taak uit te kunnen oefenen moet er een ziekenzaal zijn geweest, die mogelijk in open verbinding heeft gestaan met de kapel, zodat de zieken vanuit hun bedden zicht op het altaar hadden. Het hielp, maar niet voor lang, want twee jaar later bleek de capaciteit volstrekt ontoereikend om de tsunami aan besmettingen het hoofd te bieden.

In 1658 werd er in de kapelruimte een oven ingericht en herbergde deze enkele jaren een glasblazerij, vandaar de naam Glashuis. Het gebouw heeft ook nog enige tijd als boerderij gediend, waarbij de koeien binnen rondliepen en het boerengezin op de zolder sliep.

Vandaag de dag worden er iedere tweede zondag van de maand oecumenische vieringen gehouden voor pelgrims, die hier nog steeds een zegen kunnen ontvangen voor hun tocht naar Compostela. Normaal gesproken is de kapel op zaterdagmiddagen tussen 11.30 en 17.00 uur gratis toegankelijk.

Pestdokter IJsbrand van Diemerbroeck en zijn Traktaat
Veel mensen verplaatsen zich dagelijks, onderweg naar het station, het ROC of de universiteit, over de Van Diemerbroeckstraat. IJsbrand van Diemerbroeck is tijdens de pestepidemie van 1635-1636 benoemd tot stadsarts van Nijmegen. Hij schat het Nijmeegse sterftecijfer niet op 6.009 zoals de stadsrekeningen aangeven, maar op ruim 10.000.

In 1646 schrijft hij naar aanleiding van zijn ervaringen het Traktaat van de Pest. Het in het Latijn geschreven boek wordt een standaardwerk voor medici dat nog lang na zijn dood zal worden gebruikt. Hij maakt voor het eerst een duidelijk onderscheid tussen de pest en andere ziektes, brengt alle bekende therapieën overzichtelijk samen en maakt korte metten met tovermiddelen en astrologisch bijgeloof.

Van Diemerbroeck besteedt veel aandacht aan de diagnose. Kenmerkend voor de pest zijn: koorts, hoofdpijn, misselijkheid, doofheid, stinkende adem, droge hoest, afnemende eetlust, bloed uit de neus en bij de ontlasting en zwart-paarse vlekken over het hele lichaam.

Zijn theorieën over het ontstaan en het voorkómen van de pest vinden minder weerklank. Als hij het boek schrijft zijn veel theorieën waarvan Van Diemerbroeck overtuigd is in Zuid-Europa en zelfs in de Zuidelijke Nederlanden al achterhaald. Zo meent hij dat de pest vanuit de lucht neerdaalt als een soort gifgas en dat gemoedstoestanden zoals angst, schrik of plotselinge blijdschap aanjagers kunnen zijn voor besmetting. Tabak kan in zijn ogen als tegengif dienen. Maatregelen die in het zuiden al met succes worden toegepast, zoals inreisverboden en quarantaines, worden door Van Diemerbroeck niet gepropageerd.

Toch lijkt vanaf de tweede helft van de 17de eeuw in veel steden in  de Republiek, waaronder Nijmegen, het roer om te gaan. Er worden maatregelen genomen voor betere hygiëne, zieken worden opgesloten in hun huizen of in pesthuizen en vreemdelingen, die de ziekte de stad binnen zouden kunnen brengen, worden tegengehouden. Vanaf de 18de eeuw is de pest niet meer in de Republiek teruggekeerd.

  • Ijsbrand van Diemerbroeck
  • Traktaat van De Pest - Ijsbrand van Diemerbroeck

Het Gebroeders Van Lymborch Huis
De drie Nijmeegse schilders Paul, Herman en Johan van Lymborch staan bekend om de kostbare getijdenboeken die zij begin vijftiende eeuw voor de hertog van Berry beschilderen. In de verluchtingen van de gebroeders is vaak een geïdealiseerde wereld geschapen vol glitter en goud, maar ook de harde realiteit van het leven van horige boeren, gewelddadige taferelen, ziekte en andere narigheid worden niet geschuwd.  Zo wordt de pestepidemie in Rome van 590 door hen uitgebeeld op miniaturen, waarop begrafenissen en processies met flagellanten te herkennen zijn, die blijk geven van bekendheid met de symptomen en de gevolgen van de ziekte.

Het is cru dat de gebroeders Van Lymborch hoogstwaarschijnlijk zelf sterven aan de pest. Werkend aan hun meesterstuk Les Très Riches Heures slaat, op het hoogtepunt van hun roem en hun creatieve vermogen, het noodlot toe. Exacte gegevens zijn niet voorhanden, maar omdat berichten over overlijden van de broers in een vrij kort tijdsbestek na elkaar zijn binnengekomen en de broers niet veel ouder dan 30 jaar zijn geworden, wordt aangenomen dat een besmettelijke ziekte de doodsoorzaak was. Aangezien de pest in de 14de en 15de eeuw overal en vaak oplaait, maakt ze dat wellicht de bekendste Nijmeegse slachtoffers van de Zwarte Dood.

Meer weten over de Van Lymborchs en de pest? Bekijk de website of bezoek Burchtstraat 63.

De Oude Haven
De naam Oude Haven verwijst naar de haven die hier binnen de stadsmuren lag. Na de afbraak van de stadsmuren (circa 1880) werd de haven gedempt, o.a. met grond die afkomstig was van het Sint-Stevenskerkhof waar vele pestlijders begraven waren. Aan te nemen valt dat op deze plek nog beenderen van pestlijders in de grond zullen zitten. De haven heeft een grote rol gespeeld bij de ontwikkeling van de epidemie in 1635. Niet alleen kwamen vele soldaten, die inmiddels besmet waren, via de haven de stad binnen, bovendien wemelde het rond de haven van ratten die op etenswaar afkwamen die tijdens het laden en lossen van schepen “geknoeid” werd. De Oude Haven is prachtig te zien op het schilderij van Hendrik Feltman in Museum Het Valkhof.

Hotel De Gulden Waagen

Hotel “De Gulden Waagen”. Lange Hezelstraat 75A
De Lange Hezelstraat was in de Romeinse tijd al een belangrijke doorvoerweg (met aan beide zijden winkels) die in de middeleeuwen uitgroeide tot de belangrijkste handelsroute in de regio. Daarmee mag het zich de oudste winkelstraat van Nederland noemen. Als een van de eerste steden in Nederland verschenen hier in de dertiende eeuw stenen huizen, soms wel vijftien meter hoog. De panden op de nummers 50-52 hebben hun middeleeuwse geheimen weer deels prijsgegeven, maar het meeste gaat schuil achter de gevels. Dit is ook het geval bij het pand van Hotel “De Gulden Waagen”. De naam van dit hotel is afgeleid van de gouden koets die in de middeleeuwen stond opgesteld bij de ingang van de Hezelpoort. (zie de gravure van de Hezelpoort in de muur van “Het Lemke” op nummer 59). Deze koets vervoerde prominente gasten die van buiten de stad kwamen kwamen en een bezoek brachten aan de stad naar de Valkhofburcht. Een van deze bezoekers was in 1810 Napoleon Bonaparte.  De paarden van de koets werden gestald in de Gulden Wagengas, tegenover het Hotel. Het huidige pand was oorspronkelijk een zogenaamd stadskasteel, hiervan zijn in de gang van het hotel nog de originele kantelen te zien. In de aankomsthal van het hotel zijn muren gevonden waarop in de middeleeuwen pek is aangebracht om de pest buiten de deur te houden. In het pand hebben diverse burgermeesters gewoond.

De Lappentoren
In de vijftiende eeuw werd de gehele Waalkade voorzien van een stadsmuur met acht stadspoorten. Aan beide uiteinden van de muur werden twee grote torens gebouwd, aan de westelijke zijde de St. Hubertus of “Rode Toren”” en aan de oostzijde de “Melaten- of Lappentoren”. Deze Lappentoren werd in 1463 gebouwd en stond aan het einde van de Voerweg, daar waar de weg onder de Waalbrug doorgaat. Voor de behandeling van pestlijders werden speciale pestdokters en pestmeesters aangesteld. De pestdragers haalden de overledenen op en zorgden voor hun begrafenis. Zij woonden afgezonderd in deze toren aan de Waal en werden door andere mensen gemeden. Maar dit gevaarlijke baantje werd goed betaald en daarom waren er altijd wel mensen voor te vinden. De toren stort onder het geweld van kruiend ijs op 2 maart 1784 in, prachtig vastgelegd in een gravure van Mathias de Sallieth.

De Voerweg heeft er overigens niet altijd gelegen. Tot in de vijftiende eeuw waren de plateaus van het Valkhof en het Kelfkensbos één geheel. Omwille van de bescherming van de burcht werd er een verdedigingsgracht gegraven wat later de Voerweg is geworden. In de middeleeuwen (en tot begin vorige eeuw) was de Voerweg een druk bebouwde achterbuurt waar vele duistere zaken plaatsvonden. Hygiëne was ver te zoeken en de stank die er heerste was ondragelijk. Het straatje tussen de Voerweg en de vestingmuur werd dan ook de spottend de Rozemarijngas genoemd. Pestlijders die niet meer in de stad mochten verblijven werden hier ondergebracht.

  • Pekmuur Hotel De Gulden Waagen
  • Lappentoren

Sint-Stevenskerkhof
Tot in de zeventiende eeuw werden er rondom en in de kerk mensen begraven. De armen kregen een graf met een houten kruis buiten en de rijken in de kerk. Omdat de stoffelijke overschotten in de kerk na verloop van tijd begonnen te stinken is de uitdrukking “rijke stinkerds” ontstaan. Ook tijdens de pestepidemie van 1635-1636 zijn hier veel mensen begraven, en om meer ruimte te creëren voor graven werden de bewoners van de Smidstraat (achter het Sint-Stevenskerkhof) opgedragen hun gestorte afval van het kerkhof te verwijderen. In de loop van de negentiende eeuw werd de grond tot het huidige niveau afgegraven. Met de grond dempte men onder andere de Oude Haven in de benedenstad. Zowel hier als bij de Oude Haven zitten er ongetwijfeld nog veel menselijke beenderen in de grond van slachtoffers van de pestepidemie.

Sint-Stevenskerk
Met de bouw van de kerk werd omstreeks 1250 begonnen. Het is moeilijk voor te stellen, maar de bouwlocatie (De Hundisburg) lag oorspronkelijk buiten de stad. In 1273 was de kerk nog niet af, maar toch zover gereed dat de wijding kon plaatsvinden. De bouw werd voltooid in 1310. Omdat de Nijmeegse bevolking bleef groeien werd de kerk steeds verder uitgebreid. Dit gebeurde door om de bestaande kerk heen te bouwen en nadat de nieuwbouw klaar was de tussenmuren uit te breken. Op deze manier kon de kerk constant in gebruik blijven. In 1475 werd de Sint-Stevenskerk een kapittelkerk. In een dergelijke kerk worden dagelijks op voorgeschreven tijden het officiële koorgebed en de gezongen hoogmis verzorgd. Rond 1500 werd begonnen met de bouw van een groot, tweeënveertig meter lang transept of dwarsschip. Wederom door van buiten naar binnen te bouwen. Tot circa 1560 is men hiermee bezig geweest. Het is op deze plek, op de hoek van het Noorder transept en de kooromgang aan de zuidoost kant tegen een zuil aan waar we een graf (grafnummer 231) tegenkomen dat met de pest te maken heeft. Het is het graf van Christiaen Van Den Bergh en zijn vrouw Wendel Styps. Beiden sterven, drie dagen na elkaar, in 1635 aan de pest die in juli in Nijmegen op kwam zetten.

Graf St Steven

De Chirurgijnskamer/Snijkamer
Boven de doorgang van het Sint-Stevenskerkhof naar de Grote Markt (de Kerkboog) vinden we de chirurgijnskamer. Het schilderachtige rijtje oude huizen vormde oorspronkelijk één pand; de Lakenhal. Hiervan getuigt nog het pand op de rechterhoek; café “De Blauwe Hand”, Nijmeegs oudste café. Om het laken mooi wit te krijgen gebruikte men vroeger indigoblauw pigment. Dit goedje was lastig van je handen af te krijgen, en de arbeiders die dan ook na hun werk een biertje gingen drinken zaten in de kroeg met blauwe handen. In de loop van de vijftiende eeuw ging in de gehele Neder-Rijn de wolweverij achteruit en verloor de Lakenhal langzaam maar zeker zijn functie. De Lakenhal werd verkaveld in verschillende panden. Eerst de onderverdieping en later ook de bovenverdieping en bij deze laatste verbouwing ontstond de Kerkboog. In 1606 wordt boven de al bestaande poortdoorgang een verdieping gebouwd en in 1613 wordt de ruimte toegewezen aan het chirurgijnsgilde. Behalve vergaderingen vonden er ook anatomische oefeningen plaats. Hiervoor gebruikte men een “skelet off geraemte van een doot lichaam” van vreemdelingen en terechtgestelden die door het stadsbestuur welwillend werden afgestaan, en hier dankt de ruimte de naam “Snijkamer” aan. Ook werden er diagnoses gesteld en interne aandoeningen behandeld (in eerste instantie alleen bij notabelen en familieleden). Het was een gevaarlijk beroep chirurgijn, het snijden in etterende wonden en bijvoorbeeld ook pestbuilen was niet zonder risico. Vele geneesheren werden dan ook tijdens de epidemie zelf besmet, om zichzelf zo goed mogelijk te beschermen droeg men een pestpak. Niet alleen ernstige zaken vonden er plaats, ook feestmaaltijden, drinkgelagen en de schranspartij op de jaarlijkse “teerdag” het gildefeest vonden er plaats. Bovendien bood het vertrek een prachtig uitzicht op de Grote Markt, en wanneer de beul daar zijn werk deed was het niet ongebruikelijk dat familieleden en vrienden werden uitgenodigd om van het schouwspel te genieten.

De Snijkamer

Deze website plaatst cookies. Dit doen we om onze site gebruiksvriendelijker te maken, onder andere door analyse van het bezoekersgedrag. Maar u blijft anoniem.

Terug naar vorige Pas de cookie instellingen aan naar jouw voorkeur.